Veelgestelde vragen

Laatste update: 24-02-2026

Het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk krijgt veel vragen over het validatieproces van RVU afbakeningen op belastende functies. Om hier meer duidelijkheid over te geven, zijn antwoorden geformuleerd op veel gestelde vragen over de volgende onderwerpen:

  1. Besluitvorming en taken TNO
  2. Het validatieproces
  3. Gebruikte methodiek voor de afbakening
  4. Het toetsingskader met criteria
    • Het toetsingskader
    • Gezondheidsrisico
    • Vermijdbaarheid van het gezondheidsrisico
    • De vereiste expertise
    • De aan te leveren documentatie

Voor wettelijke, fiscale en arbeidsvoorwaardelijke vragen, hebben de Stichting van de Arbeid (StvdA) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in mei de handreiking RVU (RVU vanaf 2026) gepresenteerd en een document met de belangrijkste vragen en antwoorden opgesteld: Q&A Stichting van de Arbeid over RVU-afspraken en validatie van RVU-regelingen.

In deze vragen en antwoorden worden vragen over het validatieproces door TNO beantwoord. Deze antwoorden zijn vastgesteld op basis van informatie die op het moment van verschijnen voorhanden was, en worden indien nodig aangepast op basis van nieuwe inzichten. Als uw vraag over het validatieproces hier niet wordt beantwoord, stuur dan een berichtje naar: expertisecentrumzwaarwerk@tno.nl.

1. Besluitvorming en taken TNO

  • In het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ hebben werkgevers en werknemers afgesproken om een door SZW erkende derde partij in te schakelen om de juistheid van afbakening te objectiveren en te valideren. Dit is het Expertisecentrum Zwaar Werk van TNO geworden. Het doel hiervan is om te voorkomen dat de RVU regeling wordt ingezet voor andere doelen dan het ontzien van mensen met zwaar werk.

  • TNO heeft een Expertisecentrum Zwaar Werk opgericht. Dit Expertisecentrum heeft als taak de onderbouwing van de afbakening van de RVU-doelgroep in RVU-regelingen te beoordelen en hierover te adviseren. Een tweede taak van het Expertisecentrum is om een kennisprogramma op te zetten en uit te voeren waarmee kennis over zwaar werk, duurzame inzetbaarheid en RVU kan worden ontwikkeld en verspreid.
  • Zowel voor de validatietaak als voor het kennisprogramma is een klankbordgroep ingericht met experts uit de wetenschap en praktijk, sociale partners en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • Het doel van de validatietaak is om na te gaan of de onderbouwde afbakening van de RVU-doelgroep (in collectieve RVU-afspraken), gericht op belastende functies en werkzaamheden, op objectieve criteria is gebaseerd, zoals afgesproken door sociale partners en kabinet in het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’.
  • Daartoe dienen cao partijen een aanvraag in bij het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk, via dit aanvraagformulier.
  • De criteria die TNO hanteert voor de validatie zijn vastgelegd in dit toetsingskader.
  • Voor vragen over het validatieproces, zie  2. Validatieproces.

  • Het primaire doel van het kennisprogramma is kennisontwikkeling over zwaar werk en duurzame inzetbaarheid. Belangrijke onderzoeksvragen gaan over gezondheidseffecten van langdurige blootstelling (het aantal jaren in de functie) en van combinaties van bezwarende elementen.
  • Daarvoor wordt onderzoek gedaan naar kenmerken van RVU-deelnemers en hun werkzaamheden, en het effect van preventieve maatregelen.
  • Dit onderzoek biedt ook relevante inzichten voor de jaarlijkse monitoring door kabinet en sociale partners.

2. Validatieproces

  • Ten behoeve van de onderbouwde afbakening van de RVU doelgroep gaan cao-partijen aan de slag met het identificeren van belastende functies of werkkenmerken binnen hun sector of bedrijf. Daarbij maken ze gebruik van het toetsingskader van TNO, met objectieve criteria voor de afbakening van functies of werkkenmerken op belastend werken.
  • Cao-partijen doen altijd eerst een vooraanmelding via het daarvoor beschikbare vooraanmeldingsformulier. Na een vooraanmelding ontvangen zij een link naar het platform waarop het aanvraagformulier en de TNO-methodiek belastende werkkenmerken staan.
  • Cao-partijen bepalen met een eigen aanpak of met de TNO-methodiek belastende werkkenmerken welke belastende werkkenmerken er zijn in de functies die zij mogelijk in aanmerking willen laten komen voor RVU. Zij kunnen daar ook reeds beschikbare documenten, zoals een (getoetste) RI&E of een PAGO, gebruiken.
  • Cao-partijen stellen vervolgens zelf de onderbouwde afbakening van de RVU-doelgroep vast.
  • Vervolgens dienen cao-partijen een aanvraag in bij het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk, voorzien van een inhoudelijke onderbouwing op basis van de toetsingscriteria.
  • Als de aanvraag is ingediend, analyseert het Expertisecentrum Zwaar Werk de ingevulde informatie en ingediende documenten en brengt hierover een advies uit over de validiteit van de onderbouwing van de afbakening aan de aanvragende partij(en).
  • Cao-partijen zelf blijven verantwoordelijk voor wie er onder hun RVU-regeling valt. Meer informatie is beschikbaar in de vragen en antwoorden van de Stichting van de Arbeid.

  • Het Expertisecentrum Zwaar Werk van TNO brengt advies uit over de validiteit van de onderbouwing van de afbakening aan de aanvragende partij(en).
  • De basis van het validatieadvies zijn de elementen uit het toetsingskader: de belastende werkkenmerken waarnaar is gekeken, de onderbouwing van de blootstelling, de vermijdbaarheid van gezondheidsrisico’s en de betrokkenheid van expertise.
  • Het validatieadvies geeft aan op welke onderdelen de onderbouwing aansluit bij het toetsingskader en/of op welke onderdelen dit (nog) niet het geval is.
  • Mochten er nog zaken ontbreken, dan kan TNO adviseren dat voor een (latere) herziening alsnog verder uit te werken. Hierdoor krijgen cao-partijen een overzicht van positieve punten en verbeterpunten om zo de afbakening beter te kunnen richten.
  • Daarnaast bevat het advies van het Expertisecentrum ook beknopte aanbevelingen gericht op het bevorderen van duurzame inzetbaarheid en gezond langer doorwerken, voor zover de aangeleverde informatie en documentatie daarvoor aanleiding en aanknopingspunten biedt.
  • Cao-partijen zelf blijven verantwoordelijk voor wie er onder hun RVU-regeling valt. Meer informatie is beschikbaar in de vragen en antwoorden van de Stichting van de Arbeid.

 

 

  • Cao-partijen binnen een sector, bedrijf of organisatie bepalen wie onder de RVU-doelgroep valt. Dit valt dus niet onder de verantwoordelijkheid van TNO.
  • TNO geeft als derde partij een onafhankelijk advies aan de cao-partijen over de validiteit van de onderbouwing van de afbakening op basis van het daarvoor opgestelde toetsingskader.

  • Er is afgesproken dat cao-partijen hun RVU-afbakening voorleggen aan de derde partij, het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk.

  • De uitwisseling van documenten voor het indienen van de onderbouwde RVU-afbakening gebeurt tussen het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk en de sector of het bedrijf/organisatie. Het advies-rapport van het Expertisecentrum gaat naar de indienende sector/bedrijf. De Stichting van de Arbeid en SZW ontvangen een afschrift met de hoofdlijnen van het advies, zonder bedrijfs- of sectorgevoelige informatie. Hiermee kunnen zij een vinger aan de pols houden bij de uitkomsten van de validatiefunctie. Jaarlijks rapporteert het Expertisecentrum over de bevindingen uit de validatieadviezen. Deze rapportage gaat ook naar de Tweede Kamer en bevat informatie over de afbakeningen die worden ingediend en adviezen die worden gegeven.

  • Het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk zal begin Q2 van 2026 operationeel zijn. TNO, de Stichting van de Arbeid en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zullen hierover communiceren.
  • Vanaf dan kunnen cao-partijen de onderbouwde afbakening van hun RVU-doelgroep bij het Expertisecentrum indienen ter validatie.
  • Cao partijen kunnen nu al een vooraanmelding doen via de website.
  • Van cao-partijen wordt verwacht dat zij aan de slag gaan met het afbakenen, onderbouwen en vaststellen van de doelgroep voor een RVU-regeling. In de cao-afspraak wordt dan opgenomen dat de onderbouwde afbakening later wordt voorgelegd ter validatie. Bij het onderbouwen en afbakenen kan het toetsingskader worden gebruikt, dat beschrijft welke criteria het Expertisecentrum zal gebruiken bij de validatie en welke documentatie kan worden gebruikt. Zie ook de vragen en antwoorden van de Stichting van de Arbeid.

  • Het TNO Expertisecentrum valideert alleen de onderbouwing van de RVU-afbakening. TNO richt zich in eerste instantie op cao-afspraken, waarbij cao’s, waaronder veel werknemers vallen, voorrang hebben.
  • Afspraken over gerichte inzet op zwaar werk gelden voor alle RVU-afspraken, ook individueel of bedrijfsregelingen. Voor bedrijfsregelingen die de werkgever met de OR afspreekt en individuele afspraken kan ook gebruik gemaakt worden van het door TNO opgestelde kader met objectieve criteria of van de TNO-methodiek belastende werkkenmerken om belastend werk te identificeren. Dit kan ook voor die partijen bijdragen aan het gericht inzetten van de RVU.

  • Werknemers met vragen over RVU kunnen terecht bij de cao-partijen binnen hun sector, bedrijf of organisatie.
  • TNO geeft als derde partij advies over de validatie van de onderbouwde RVU-afbakeningen die cao-partijen bepalen.

  • Cao-partijen krijgen voorrang boven niet-cao-partijen. Bovendien hebben cao’s waaronder meer werknemers vallen, voorrang boven cao’s waaronder minder werknemers vallen.

3. Gebruikte methodiek voor de afbakening

  • Ja dat kan. Het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk zal bij gebruik van een eigen aanpak of bestaande rapportages (denk aan een getoetste RI&E), die aanpak beoordelen als onderdeel van de validatie. Daarna worden de uitkomsten (onderbouwing van de afgebakende RVU-doelgroep op belastende functies binnen een sector) gevalideerd.

  • De afspraak in het akkoord ‘Gezond naar het Pensioen’ is om af te bakenen op belastende functies of werkzaamheden. Het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk kijkt bij de validatie alleen naar belastende werkkenmerken en niet naar andere parameters. Een van de criteria in het toetsingskader is daarom dat gekeken is naar de blootstelling aan belastende werkkenmerken.

  • Voor het beoordelen van de belasting moet gebruik gemaakt worden van normen of richtlijnen, met daarin opgenomen grenswaarden, voor zover die er zijn. Dat betekent dat de meeste werkkenmerken met betrekking tot werktijden, omgevingsbelasting en fysieke belasting wel kwantitatief beoordeeld moeten worden, en psychosociale en cognitieve belasting niet. Een kwalitatieve beoordeling van psychosociale en cognitieve belasting vindt plaats op basis van (recente rapportage met) een inschatting door een expert van de frequentie waarmee werknemers worden blootgesteld aan duidelijk omschreven belastende situaties, daarbij rekening houdend met specifieke functiekenmerken die de kans op gezondheidsschade op langere termijn vergroten.

4. Het toetsingskader met criteria

4.1 Het toetsingskader

  • De aanvraag is op het niveau van een functie. Als dezelfde functies in verschillende bedrijven veel van elkaar verschillen in belasting, bijvoorbeeld omdat omstandigheden verschillen, bestaat de mogelijkheid om de belastende elementen die het werk zwaar maken voor te leggen aan het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk. Vervolgens kan op bedrijfsniveau worden bepaald in hoeverre deze werkelementen van toepassing zijn op de functie zoals deze daar wordt uitgevoerd. Zie hiervoor ook de vragen en antwoorden van de Stichting van de Arbeid.

  • Nee, het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk heeft geen criteria voor deze factoren, omdat de wetenschappelijke onderbouwing voor het effect van blootstellingsduur en van het arbeidsverleden op gezondheid ontbreekt. Het is aan cao-partijen zelf of en in welke mate ze deze factoren willen laten meewegen. Bij validatie blijft dit buiten beschouwing. De effecten van blootstellingsduur op gezondheid is een van de belangrijkste onderzoeksvragen in het kennisprogramma.

  • De validatie door het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk richt zich op de beoordeling van werkkenmerken van functies en niet op personen. Het effect van arbeidsduur valt daardoor buiten de scope van de validatie. Het is aan cao-partijen zelf of en in welke mate ze deze factoren willen laten meewegen.

4.2 Gezondheidsrisico

  • Er is sprake van een sterk verhoogd gezondheidsrisico als het risico op gezondheidsklachten substantieel hoger is dan het ‘basis’ risico dat er is in de (werkende) bevolking. Een eigen onderzoek naar effecten is niet nodig. Het is wel van belang dat er gebruik wordt gemaakt van gangbare, geaccepteerde normen, grenswaarden of methodieken voor het vaststellen van belastende werkkenmerken met een sterk verhoogd gezondheidsrisico in de verschillende domeinen (werktijden, PSA, cognitieve belasting, fysieke belasting en omgevingsbelasting), voor zover deze er zijn.

  • Voor de validatie moet voor tenminste één belastingveld worden onderbouwd welke belastende werkkenmerken er aanwezig zijn in de functie. Meer is niet noodzakelijk, maar wordt wel geadviseerd om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van zwaar werk en mogelijke aanknopingspunten om het werk lichter te maken. Dus bij voorkeur wordt voor alle werkkenmerken beoordeeld en gedocumenteerd of zij wel of niet voorkomen binnen de betreffende functie of werkzaamheden. In het toetsingskader staat een basislijst met relevante werkkenmerken en definities die we hanteren in deze context. De basislijst met werkkenmerken is niet limitatief.

  • • Om na te gaan welke functies wel en niet in aanmerking komen kan het toetsingskader geraadpleegd worden. Er zal moeten vastgesteld of er sprake is van een sterk verhoogd gezondheidsrisico via een eigen aanpak en/of reeds beschikbare documenten, of de TNO-methodiek belastende werkkenmerken, waarna cao-partijen bepalen of de functie in aanmerking komt voor de RVU-regeling. Dit geldt ook voor beeldschermgebonden functies.
  • Bij een goede werkplekinrichting en organisatie van het werk zal het werken met beeldschermen op zichzelf doorgaans niet als belastend worden bestempeld. Of de functie dan toch aspecten heeft die het werk belastend maken, is niet op voorhand te zeggen.

4.3 Vermijdbaarheid van het gezondheidsrisico

  • Een vermijdbaar risico is een risico dat niet inherent is aan de functie maar het gevolg van de organisatie van het werk of de werkplekinrichting, en daardoor kan worden weggenomen. Denk ook aan risico’s die ontstaan door de stijl van leidinggeven, de bedrijfscultuur of tijdelijke krapte op de arbeidsmarkt. Ook als risico’s weggenomen kunnen worden met beschikbare maatregelen zijn ze vermijdbaar. Wanneer bijvoorbeeld een tillift beschikbaar is, maar niet wordt ingezet bij het verplaatsen van een cliënt, is er een vermijdbaar risico op fysieke overbelasting.
  • Net als in de Arbowet hanteren we daarbij het redelijkerwijs principe, waarbij ook rekening wordt gehouden met afspraken die op sectorniveau door sociale partners zijn gemaakt.

  • TNO vraagt de aanvragende partijen om te motiveren waarom maatregelen, die volgens de stand der techniek beschikbaar zijn, niet genomen worden.
  • Hier wordt het redelijkerwijs principe gehanteerd, wat betekent dat er rekening wordt gehouden met legitieme redenen om maatregelen niet in te zetten. Voorbeelden van ‘legitieme’ redenen zijn:
    • onvoldoende fysieke ruimte om een hulpmiddel veilig te gebruiken, bijvoorbeeld in een kleine badkamer of smalle gang.
    • hulpmiddelen zijn beschikbaar maar de kosten ervan zijn zo hoog dat ze voor (kleinere) bedrijven niet zijn op te brengen.
      In die gevallen moet gezocht worden naar een passende oplossing die het risico zo veel mogelijk beperkt.

  • De aanvraag is op het niveau van een functie. Als dezelfde functies in verschillende bedrijven van elkaar verschillen in belasting, omdat omstandigheden verschillen, bestaat de mogelijkheid om de belastende elementen die het werk zwaar maken voor te leggen aan het Expertisecentrum van TNO. Vervolgens kan op bedrijfsniveau worden bepaald in hoeverre deze werkelementen van toepassing zijn op de functie zoals deze daar wordt uitgevoerd.

  • In de meeste sectoren is een arbocatalogus beschikbaar waarin maatregelen voor risicoreductie beschreven zijn. Ook hebben arboprofessionals inzicht in beschikbare maatregelen, ook als er in een sector geen arbocatalogus beschikbaar is.

4.4 De vereiste expertise

  • Het beoordelen van de werkbelasting die een functie met zich meebrengt is complex, en de kennis over werkgerelateerde gezondheidsrisico’s ontwikkelt snel. Sociale partners zetten zich in om de best beschikbare deskundigheid, die voorhanden is binnen sector of bedrijf, te betrekken bij de onderbouwing van belastende werkkenmerken met risico’s op gezondheidsschade en/of op basis van de documenten die ze al beschikbaar hebben. In het toetsingskader van TNO is een (niet limitatieve) lijst opgenomen met relevante expertise bij de verschillende belastingsvelden. Het gaat om experts die bekend zijn met de geldende richtlijnen en gezondheidskundige grenswaarden binnen de betreffende belastingsvelden, en die daarmee een zorgvuldige beoordeling kunnen waarborgen. Als aan de afbakening eerdere analyses van belasting ten grondslag liggen (bijvoorbeeld een getoetste RI&E), dan is het ook voldoende om aan te tonen dat de juiste expertise is ingezet voor de eerdere analyses. Als relevante expertise ontbreekt kan TNO adviseren om aanvullende expertise te betrekken bij een herziening van de RVU-afbakening.

  • Nee, het gaat om experts op de terreinen van het type belasting, dat aanleiding is om de functie in aanmerking te laten komen voor de RVU-regeling. Experts op terreinen die hiervoor niet relevant zijn, hoeven niet betrokken te worden.

  • Sociale partners van het bedrijf/ organisatie of binnen de sector bepalen zelf welke expertise zij benutten, afhankelijk van de risico’s en beschikbare (ervarings-)kennis. Hierbij zetten zij zich in om de best beschikbare deskundigheid, die voorhanden is binnen sector of bedrijf, te betrekken bij de onderbouwing van belastende werkkenmerken met risico’s op gezondheidsschade en/of op basis van de documenten die ze al beschikbaar hebben. In het toetsingskader van TNO is een (niet limitatieve) lijst opgenomen met relevante expertise bij de verschillende belastingsvelden. Het gaat om experts die, door hun opleiding of ervaring, bekend zijn met de geldende richtlijnen en gezondheidskundige grenswaarden binnen de betreffende belastingsvelden, en die daarmee een zorgvuldige beoordeling kunnen waarborgen. Als aan de afbakening eerdere analyses van belasting ten grondslag liggen (bijvoorbeeld een getoetste RI&E), dan is het ook voldoende om aan te tonen dat de juiste expertise is ingezet voor de eerdere analyses. Als relevante expertise ontbreekt kan TNO adviseren om aanvullende expertise te betrekken bij een herziening van de RVU-afbakening.

  • Nee, afgesproken is dat TNO niet zelf functies analyseert ten behoeve van afbakeningen binnen sectoren. Wel kan de TNO-methodiek belastende werkkenmerken door sectoren worden gebruikt om werkkenmerken te identificeren die een sterk verhoogd gezondheidsrisico met zich meebrengen.

4.5 De aan te leveren documentatie

De documentatie mag oud zijn, mits de functie sinds het opstellen van het document (aantoonbaar) niet gewijzigd is op de punten die door het document worden onderbouwd.

  • Als onderbouwing van de afbakening wordt (in het aanvraagformulier) gevraagd welke aanpak, methodiek of reeds beschikbare documentatie (en daarbij horende grenswaarden of beslisregels) is gebruikt voor de afbakening, wat de belastende werkkenmerken zijn en bij welke taken deze voorkomen. De aangeleverde informatie en documentatie moet onderbouwen en daarmee aannemelijk maken dat er sprake is van belastende werkkenmerken in de betreffende functie(s). Ook wordt gevraagd aan te geven, indien bekend, waarom geconstateerde risico’s niet verminderd kunnen worden door eventueel beschikbare mitigerende maatregelen (maatregelen die het gezondheidsrisico verlagen), rekening houdend met het redelijkerwijs principe.
  • In het aanvraagformulier geven we voorbeelden van documenten die kunnen worden aangeleverd ter onderbouwing van de verschillende Denk daarbij aan de volgende documenten: een getoetste RI&E, een functiebeschrijving, een Arbo-catalogus, een PAGO/PMO, e.d. Het is niet noodzakelijk alle genoemde documenten aan te leveren; het gaat om documenten die kunnen helpen bij de onderbouwing.

  • Ja, de informatie uit deze onderzoeken kan zeker gebruikt worden. De aanvrager wordt wel gevraagd om een aanvraagformulier in te vullen, zodat alle benodigde informatie is aangeleverd.